Villa Entropie 2

 

.                  E n t r o p i s c h   L e v e n

40 JAAR (vervolg)

De volgende dag kwam hij later op zijn werk, liep zwijgend naar zijn kamer en zat achter zijn bureau - woordeloos, stilgevallen.
Om twaalf uur stond hij op en ging.
Gedachteloos als de stenen in de straat doorkruiste hij de stad, woonwijk na woonwijk. Regende nat tot op zijn huid. Een vreemde onder de mensen, hij ging erlangs en er tussendoor. In een winkelstraat was een draaiorgel, het was nog een orgel met handbediening en zwoegend draaide de man het wiel, langzaam werd I’m dreaming of a white Christmas afgespeeld, want het liep tegen kerst, iets te langzaam, zwaarmoedig en met natte sneeuw, en het orgel was ook niet nieuw meer. Een te oud meisje, vast de dochter van de orgelman, zamelde geld in en keek niet vrolijk. Zo was het en hij haalde uit zijn binnenzak het biljet van 100 gulden, dat hij altijd voor noodgevallen bij zich droeg en stopte het in de pot. Hij gaf nooit geld aan collectes, zelfs niet aan die van het Leger des Heils, maar aan draaiorgels gaf hij altijd en met overtuiging.
Maar nu hielp het geven niet en zakte zijn ellendige stemming dieper weg dan ooit.
Hij voelde zich miserabel, krampende oorsuizingen verstoorden zijn evenwicht, zijn benen trilden, bijna moest hij braken.
Het zwarte landschap was afstotend, de blokkige nieuwbouw lag verschrikkelijk terneer onder de kolengrauwe hemel.
Passerende mensen leken onbetrouwbare verscheurende roofdieren die met ijzeren ogen loerden op prooi.
Vervloekt, wat was alles grondig lelijk.
Waarom loop ik hier, dacht hij wanhopig, waarom zet ik de ene voet voor de andere.
Bittere zwartgalligheid beving hem.
Wat doe ik hier nog, was ik maar dood, morsdood.
Naar huis, naar huis!
---------------------
Net toen hij uit de tram stapte viel het centrum van zijn gezichtsveld uit, een migraine-aanval zette in.
Terwijl het aura als een flonkerende kristal over het netvlies van zijn ogen kroop  liep hij de laatste meters. 
Hij wilde door de voordeur naar binnen gaan, maar het lukte hem niet de sleutel in het slot te steken.
Vlak voor het slot bleef zijn hand sidderend in de lucht staan.
Hij probeerde het met de andere hand.
Zweet parelde op zijn voorhoofd.
De sleutel viel kletterend op de stoep.
De deur bleef dicht.
Met grote moeite lukte het hem om op de belknop te drukken.
Meidje deed open deed open, maar schrok terug.
Meteen ging hij naar boven,  waar hij zich op bed liet vallen met een dubbelgevouwen handdoek tegen de ogen geperst.
Terwijl de getande kartels van het aura in wilde flikkeringen op zijn netvlies dansten, tuimelde zijn geest in een zwart gat dat iedere gedachte leegzoog.
Zo lag hij roerloos met een bonkende hoofdpijn tot diep in de nacht.
                                                                                                                                                 
De volgende ochtend bleef hij liggen.                     
Verlamd lag hij, een hele dag lang en dacht aan kracht.
Nu moet ik opstaan om een boterham te eten. Moet nu mijn hele lichaam, vijfenzeventig kilogram water met wat eiwit, zich van hier de trap af bewegen naar de keuken voor die ene boterham? Waarom eigenlijk?
En dan weer terug naar boven en weer in bed? Wat heeft het voor zin? Waarom hebben ze mij toen niet in het water laten liggen, of desnoods iets te laat eruit gehaald? Waar was al die moeite voor? Ik huilde na afloop en was niet blij.
Op de wastafel lag zijn scheermes. Dat had wel voordelen: de hypotheek ineens afgelost - Iris kon dan een stuk onbezorgder leven. Nooit meer de dreiging van een overplaatsing. Bovendien was het nogal zelfingenomen te denken dat hij zelf de beste partner voor haar was. Er waren velen die geschikter, vrolijker en aardiger waren.
Als het nu mogelijk was om gegarandeerd pijnloos te sterven. Als daar een methode voor was.
Een vriendelijke dood, een pilletje slikken en zacht vertrekken. Klaar. 
 
Het was dagstil in de slaapkamer, in het vale licht gaapte de kamer.
Waarom klopt mijn hart steeds maar door. 
Met wijdopen ogen lag hij doodstil op zijn rug - de handen gevouwen op de deken. Zo zal ik eens voor het laatst liggen.
Dat toekomstige moment: het bezoek van de dokter, de medicijnen, de morfineprik om in te slapen, de echte verlamming, het afscheid van zijn dierbaren.
Scherp zag hij hoe Iris zich over hem heenboog, die daar lag zonder macht over zijn lichaam, en hem een laatste zachte kus gaf. Hij rook haar parfum, jasmijn, maar kon alleen nog met zijn ogen knipperen om te laten weten dat hij haar kus gevoeld had.
Voor het laatst zag hij haar ogen vlak boven de zijne - die fluwelen diepzwarte bronnen van liefde.
Een bittere kramp van smartelijk verlangen naar al dat andere vertrok zijn gemoed. Hevige snikken schokten in hem op, hij wrong zijn gezicht in het kussen.
                        
Hij at niets en kon niet naar de wc.
Geen enkele deur in huis kon hij meer open krijgen, zodat Iris gedwongen was alle deuren open te zetten. En dan nog moest hij zich door deuropeningen heenworstelen.
Hij verdroeg geen brandende lampen of brandend gas, alleen in het licht van de zon, daar kon hij zich nog warmen.
Iris, Jonkie en Meidje mochten alleen nog eten als hij het niet zag.
Een koortsig denken beving hem. Het was alsof in zijn boekenkast alle boeken in andere volgorde waren geplaatst, alsof er ook nog nieuwe boeken tussen waren geschoven. Steeds sprongen er ongewenste gedachten zijn denken binnen, het was niet meer te overzien.
Echt dood zijn is er niet. Afwezig. Een mensenwoord in de verkeerde taal.
 
Smeekbeden van Iris om te zeggen wat hem mankeerde had hij weerstaan.
Hij begon het licht te schuwen. Want door het licht zag hij voortdurend dingen, zelfs als hij zijn ogen sloot. De stof was overal, hij voelde zich uitgeput door de voortdurende omgang met stof, de zwaarte ervan, de massa van alles, de trage luiheid van alle dingen. Niets bewoog uit zichzelf. De tafel, de stoelen, de muren, de lucht, het licht. Het stond onbeweeglijk en was overal. Daar wilde hij vandaan, naar buiten wilde hij, daar waar geen stof is.
Als ’s ochtends het eerste zonlicht zijn kamer binnenkwam, werd hij kwaad. De kamer werd verduisterd.
Na de huisarts verscheen een psychiater aan zijn bed.
“Wilt u gaan, u staat voor de uitgang. “ zei Jannes.
Hier ligt mijn lijf, dacht hij, de nagels groeien uit mijn vingers en tenen, overal komen haren uit mijn lijf, de huid schilfert steeds. Het brandt en teert van binnen. Het gorgelt en borrelt. Het stoft. Bij iedere ademtocht komt er meer waterdamp in de kamer. Waar blijft dat. En als ik doodga dan gaat het gewoon door. Het gaat rotten en gisten en weer verder. Het stoffelijk overschot. 
Ik sta op tegen de zon, dacht hij. De zon laat mij denken, ik kan mijn eigen gedachten niet eens tegenhouden. Ik zit opgesloten achter mijn ogen.
Plots werd hij bevangen door een hevige dorst. Het was alsof zijn keel werd gewurgd zo leerachtig droog voelde zijn strottenhoofd aan. De verleiding was ondraaglijk om even het bed te verlaten en naar de wastafel te gaan om daar heerlijk koel helder water door zijn lijf te laten stromen. Jannes smachtte - voor het eerst voelde hij wat dat betekent. Volhouden, dacht hij fel, volhouden, vechten, het is nu of nooit! Hij beet zich vast in zijn blote bovenarm totdat het bloed eruit kwam - toen raakte hij bewusteloos..
Verplegers kwamen en brachten hem naar een ziekenhuis. Daar kreeg hij een infuus en een slang in zijn keel voor kunstmatige  voeding. Hij weigerde de slang. Hij heeft een stofwisselings-syndroom van onbekende oorzaak, zei de psychiater. Hij walgt van alle stof en ook van zichzelf.
 
Nog eens ging de kamerdeur open en kwam de donkerte van een andere bezoeker op zijn bed toebewogen. Het was Iris!
Scherp zag hij hoe Iris zich over hem heen boog, die lag zonder macht over zijn eigen lijf - en hem een  zachte kus gaf.
Hij rook haar parfum, jasmijn, maar kon alleen nog met zijn ogen knipperen om te laten weten dat hij haar kus gevoeld had. Voor het laatst zag hij haar ogen vlak boven de zijne - die fluwelen diepzwarte bronnen van liefde. Het zonlicht kon die irissen laten groenen.
 Toen sloot hij zijn ogen en hield ze krampachtig dicht.
 Volhouden..volhouden, volhouden. Deze beproeving duurde een eeuwigheid. Eindelijk hoorde hij hoe zij de kamer verliet.
Even later bezocht Iris hem opnieuw. Zij was erg ongerust over zijn toestand. 
Zij trof hem ijlend aan.
'Help mij, red mij.' kreunde hij met gebarsten stem,'Help mij alsjeblieft!...Ik val om, ik verdrink...Alles is bruin,..ik hoor niets meer... Water,water,water!'
Geschokt nam zij zijn hoofd in haar armen. Dat kalmeerde hem. Even later merkte zij dat hij zijn bewustzijn weer had verloren.
 
Jaren later, tijdens een bezoek aan het Stedelijk Museum van Amsterdam, bleef Jannes als door de bliksem getroffen stilstaan voor het schilderij Porta Marró van Antoni Tapiés.
'Zo was het.' hoorde Iris hem mompelen.
 
Na drie weken ontwaakte Jannes uit een slaapkuur.
De eerste die hij zag was Iris die naast zijn bed zat.
Lange tijd keken zij elkaar aan. De kamer was stil, want op de andere vijf bedden lagen ze te slapen.
Toen fluisterde Jannes :
' Het viel tegen. Er achter is het net zo. Als er haast is, is het pad recht. Als er vermoeidheid en uitputting is, dan is het pad stijl en kronkelig. Als er rust is, dan is er geen pad. Is er schoonheid en geluk, dan heeft het pad uitzicht.
Bij angst wordt het een vluchtweg.
Voor mij werd het een vluchtweg. Terug.'
 
Iris nam zijn hand en vroeg:
'En de kleur? Wat voor kleuren zijn er?'
“Net als hier. Is er angst dan is het zwart. Is er haast dan is het rood. Is er rust dan is het blauw. Maar is er schoonheid en geluk dan is het stralend groen.
Hij bewoog even.
'Zoals jouw ogen.'
---
Een week later mocht Jannes naar huis. Hij was genezen verklaard en moest nu nog aansterken. Eten en drinken ging weer.
Opmerkelijk was dat hij steeds graag deuren opende, ook al hoefde het niet. Totaal niet bang. Hij ging ook weer naar buiten, knipte de rambler bij de kas, plaatste de ladder tegen de zijgevel en snoeide de wingerd die weer over de dakgoot was gekropen. Door het openstaande dakraam hoorde hij vioolspel, het was uit het vijfde vioolconcert van Mozart. Hij klauterde weer omlaag en liep naar Iris, die een paar rozen knipte van de Perpetually Yours - die geuren naar vanille-ijs en zo zien ze er ook uit. Iris liefje, zei Jannes, wat is het hier mooi. Het is niet waar wat ze zeggen dat het daarboven mooier is! Dat is wensdenken en zelfbedrog. Ik heb het zelf gezien, het is .. ach laat maar! Het hier zijn, daar gaat het om..
De volgende dag ging hij weer naar zijn werk. Om het in orde te maken, zo zei hij.