Villa Entropie 2

                                                                     35 JAAR

De Directie Oost was gehuisvest in een oud klooster.
Het was een verzameling van aan elkaar gebouwde woonhuizen en pakhuizen met als middeleeuws hart een grote bonkige steenklomp van opgestapelde kloostermoppen. Deze klomp zat met zijn rug vast aan de Groote Kerk, een zich juichend boven alles verheffende gotische kruiskerk.
Sinds een jaar of tien werd in de winter op vrijdagavond de verwarmingsketel door de bode van de rijksdienst op de kerk overgezet en 's zondags na de middagdienst zette de koster de ketel weer over op het klooster. Dat was een hele vooruitgang.
 

Nadat Jannes zijn fiets in de roestige fietsenstalling had gezet in een kloostergang, liep hij naar de ingang. De voormalige abdij had een heel mooie hoofdingang, voorzien van een brede hardstenen trap opgaande naar twee gebeeldhouwde blankeiken deuren opgehangen aan natuurstenen posten. Alleen Jannes kreeg ze niet open, zij waren al in geen 50 jaar meer geopend, want men had het praktisch geoordeeld in de hal erachter de typekamer onder te brengen.

De eigenlijke hoofdingang vond Jannes  in de engte, die was gebleven waar kerk en klooster ruggelings naar elkaar toestonden. Hier liep een steeg die werd overkluisd door een poorthuisje, dat de verbinding vormde tussen beide gebouwen. Onder dit huisje was een sombere doorgang, waarin sinds mensenheugenis twee zwartgeteerde poortdeuren aan hun roestige hengsels overeind werden gehouden. Hier kwam nooit zonlicht en stond altijd koude tocht.

In de ene zijmuur van deze doorgang bevond zich een kleurloze deur , samengesteld uit hompige houten delen.
Midden op de deur hing op een hartvormige ijzeren plaat de klopper, waarvan de bal zeker een kilo woog. De deur sloot zichzelf met behulp van een deurknecht, een loden tegengewicht in de vorm van een jeneverkruik. Deze loden last hing achter de deur in een houten koker aan een koord, dat, over een katrol geschoren, met een harpsluiting aan de deur vastzat.
Indien men  de klink lichtte en met zijn volle gewicht tegen de deur leunde, dan week deze onder het slaken van een verbaasde zucht. Achter de deur was de vloer zeker een halve meter  lager en nadat iemand er zijn been had gebroken, had men er een houten afstapje geplaatst. Men stapte niet naar binnen, nee men viel binnen en de deur, geholpen door het loden gewicht, sloeg dicht met een houten bonk, gevolgd door een geluid als een geweerschot, veroorzaakt door de klopper, die, eerst door eigen traagheid geheven, ketsend neerkwam op de ijzeren plaat. 
      
Maar de beloning was ontvangst in een prachtig hoogopgaand gotisch gewelf. Weliswaar waren de heiligenbeelden van hun pendanten verdwenen, oogstrelend waren nog altijd de schitterende muur- en plafondschilderingen, die in azuur en zuiver goud zacht gloeiden in het schemerlicht van het portaal.                  
Er was altijd stilte in deze hal, de zware muren en de autistische deur hielden elk stadsrumoer buiten. Dit bracht een kalme rust, die de bezoeker onwillekeurig met gedempte stem deed spreken.
Jannes dacht bij zijn binnenkomst zelfs wierook te ruiken, maar dit moest verbeelding zijn, omdat het gebouw sinds jaar en dag een rijksdienst huisvestte waarbij nu niet de grootste gelovigen werkten.                                   

Dat de directie Oost oud was, bleek meteen al uit een grote houten vitrine, die tegen de wand van het portaal was bevestigd. In de vitrine stond achter glas het vaandel van de directie op een lange staf. Het bestond uit blauw linnen waarop de naam van de directie met gouddraad was geborduurd met daarboven het rijkswapen in zilverdraad. Het vaandel was afgezet met een oranje-wit-blauw koord en hing met zwartfluwelen banden aan een zwarte roe voorzien van zilveren knoppen.

                                                                                                                           -----------------

Vaag drongen de klanken van de beiaard van de Groote Kerk tot hier door. Het was negen uur.

Na veel gangen hield het meisje van de receptie aan het einde van een doodlopende gang en voor het gevoel van Jannes ook aan het achterste einde van het gebouw halt bij een in een nis verscholen blankeiken deur met meer aanzien dan de andere deuren. De gesmede klink was kunstig bewerkt. Na te hebben geklopt kreeg het meisje de klink niet omhoog. Deze kamer wilde gesloten blijven.

"La-mij-es-proberen" mompelde Jannes , hij lichtte de klink, het meisje zei: nou doeg, maakte rechtsomkeerd, Jannes duwde de deur naar binnen open en trad in het vertrek.

De kamer van de hoofdingenieur-directeur - later hoorde Jannes dat dit het slaapvertrek van de voormalige abten was geweest - was van forse afmetingen. Rechthoekig met aan de ene zijde drie gotische spitsboogvensters met glas in lood. Door deze vensters zag men op een binnenplein met lindebomen.
Aan de zolderbalken hingen twee smeedijzeren lichtkronen, die het vertrek stemmig verlichtten. Aan de wand hingen schilderijen. Jannes , die een voorliefde had voor maritieme onderwerpen, merkte in de gauwigheid een Zuiderzeetafereel op van de schilder Tholen. 
 
In het midden stond een lage tafel van rotan met er om heen vier gemakkelijke fauteuils ook van rotan. Onweerstaanbaar werd Jannes' blik echter getrokken naar een verhoogde vloer aan het hoofd van de kamer, een podium, waarop een Mechels bureau stond, compleet met de mannehoofden. Achter dit bureau zat in een met bruin wasdoek beklede bureaustoel een kleine man, kaal, grijs haar aan de slapen, maar met een kordate houding in zijn manier van zitten. Hij raakte de rug van zijn stoel niet aan. Opvallend was het onbeweeglijke in zijn houding, het onverstoorbare. Roerloos zat hij en las een ochtendkrant. 
"Goedemorgen." zei Jannes aarzelend en bleef voor het podium wachten. Hij kreeg het gevoel voor de rechtbank te staan. De h.i.d. las rustig zijn artikel uit en stak zonder op te kijken over het bureaublad Jannes zijn hand toe.
 
'Jannes Lokaal' zei Jannes .
'Delicaat ' zei Delicaat. Onverwacht helder klonk zijn hoge  stem. Nu keek hij op.
'Dag meneer Lokaal, welkom bij de Directie Oost. U hebt het kunnen vinden, er komt zo koffie, uw roem is U reeds vooruitgegaan, ik ben blij dat U er bent, er liggen al stukken op Uw bureau te wachten. Morgen begint uw cursus Overheidsmanagement. Bent U al verhuisd?'
'Nou, wij..'
'Mooi. Dan kunt U zich nu gaan concentreren op de strijd met de distributie-mensen. De afdeling Collectie waarvan U hier als te jong ingenieur de leiding krijgt beheert zo’n vijfduizend kilometer autosnelweg en nog eens duizend kilometer waterweg. Een geweldige collectie om te beheren! En Uw afdeling bouwt nog voortdurend nieuwe wegen en breidt de collectie uit.'
Delicaat leunde voorover op zijn bureau en keek Jannes indringend aan met zijn Delfts-blauwe ogen.
'Over al die wegen davert dag en nacht de distributie. Daarvan slijten die wegen. Uw opdracht is die slijtage te niet te doen en al die wegen in stand te houden.'
'Ik moet dus conservatief zijn.' reageerde Jannes die vond dat hij gevat moest antwoorden.
'U moet conservatief idealist zijn. Uw ideaal is de dingen zo te maken dat ze niet meer slijten ook al worden ze gebruikt.'
'Dat kan niet' reageerde Jannes,  'Alles slijt. Tweede Hoofdwet. De som van alle ellende blijft constant..'
Jannes maakte dankbaar gebruik van de lessen van Helder.
Maar hij onderschatte Delicaat. Deze stond op van zijn stoel, stapte van zijn podium af om de ets van Tholen nog eens goed te bekijken.
'De platina standaardmeter in het archief te Parijs slijt niet.' zei hij. 'Hij verdampt zelfs niet omdat het daarvoor in het archief te koud is.'

 

Gelukkig kwam de koffiejuffrouw binnen met twee kopjes lauwe koffie op een beukehouten dienblad. Delicaat en Jannes gingen zitten in het zitje en dronken van de koffie. Delicaat presenteerde Brusselse kermis.
'Ach,' zei hij, 'tegenwoordig liggen de teksten van die Indiase wijsgeer Tagore weer in die nieuwe boetiekjes.
Maar ik weet er nog wel een van uit mijn tijd:
                                                                              De weg is is eenzaam in de drukte
                                                                              van het gedrang,
                                                                             want hij wordt niet bemind.
Denk daar maar aan in uw strijd tegen de slijtage.'
Jannes zei even niks terug, er was een denkrimpel in zijn voorhoofd verschenen. Toen greep hij in zijn binnenzak en haalde er een klein groen boekje uit.
'Zo, wat is dat? Gaat U ook citeren?'
'Dit boekje heb ik gisteren van mijn vriendin Iris gekregen, zij doet in boeken en vond dit iets voor mij. Het zijn gedichten.'
Delicaat zetten de vingertoppen tegen elkaar en bekeek Jannes voor het eerst met meer aandacht. Wat was dit eigenlijk voor iemand die ze naar hem toe hadden gestuurd? Onooglijk om te zien. Maar hij hief het hoofd toen Jannes ging  voorlezen met zijn wanhopige stem:
 
Er is geen rust. Er is geen nacht
oneindig en geen stilte stil.
Geen groot verlangen, geen enkele wil
kan maken, dat hij even wacht,
de eenmaal aangevangen tijd.
Ondanks de schijn van eeuwigheid
in enkele stille ogenblikken
hoor ik voortaan een fijn, schor tikken,
word ik geschonden door het weten:
ook dit wordt langzaam opgesleten.
 
Even zwegen beiden. Jannes borg het boekje weer op. Komt uit De Krekels van Vasalis , zei hij nog. Delicaat keek peinzend naar de zolderbalken – zeker vijfhonderd jaar oud. Toen stond hij op en liep terug naar zijn bureau, Jannes kwam ook overeind.
Zouden er soms boktorren in die balken zitten te tikken, ging het door hem heen toen hij de gang uitliep.

                                                                                                         -------------------- ---  

John Elders MBA was een jachtig mens. Voortdurend ging de telefoon. Een agenda volgeperst met afspraken. Hij las werkelijk alles. Hij voerde werkelijk alle opdrachten uit. Hij bedacht ter voorbereiding van beleidskeuzes wel 10 varianten. Hij bekeek de mensen met venijnige blik van blauwe ogen tussen lange zwarte krulwimpers , streek driftig over zijn spitse kin, woelde door zijn kolenzwarte haar, likte met zijn tong over zijn vlezige kersenrode lippen waartegen zijn huid bleek afstak. Hij leek qua teint wel een mijnwerker.

Hij had een goede opvoeding gehad, zijn vader was directeur-generaal geweest op een ministerie en zijn vrouw was de dochter van een rechter die zijn vader gekend had.

John wilde de carrière van zijn vader evenaren. John bewoog voortdurend, hij kon niet stilzitten of wachten. Hij had geen geduld. Hij was begerig en wilde alles hebben. Bedreigend voor zijn omgeving was zijn encyclopedisch geheugen waarmee hij alles controleerde.

Om al deze angstaanjagende eigenschappen nog te compliceren was John daarbij op paradoxale wijze naïef. Zo deed hij ouderwets beleefd tegen vrouwen,  maar Iris vond hem onmiddellijk een opgepoetste griezel, een sater met gemene streken.

Zo was John padvinderachtig in zijn liefde voor het werk. Hij nam niet alleen stukken mee naar huis omdat hij bang was achterop te raken, maar ook omdat hij het fijn vond en omdat het goed stond. Hij hechtte aan ambtelijke mores, aan het hebben van 'vrinden' en een 'goeie opvoeding'. Op zijn werkkamer hing aan de muur de rijkskalender, gedrukt in het Huis van Bewaring te Maastricht, niet omdat hij hem mooi vond, maar omdat het zo hoorde. Straks, als hij directeur zou worden, was een kunstkalender toegestaan. Dan zou hij ook de Lions verlaten en overstappen naar een echte Club.

De combinatie van vreseljke ambitie en aktiviteitsdrang, weten door vader hoe het zou moeten en de faalangst het eigenlijk niet te kunnen, zowel qua uiterlijk - want mooi was hij niet: mager, te grote handen en voeten, stakerig, een duivelse oogopslag boven een schelle falsetstem - als qua innerlijk, laadden hem op met een ondraaglijke spanning.

Zijn gedrevenheid kende geen weerga.

---

Glimlachend en zacht neuriënd leidde  Hernia, de directiesecretaris, Jannes - is hij nu dement, dacht die - langs veel gangen naar een bedrijviger deel van het klooster waar de afdeling Distributie was ondergebracht.
Hier was de sfeer totaal anders: alle deuren stonden open of waren zelfs verwijderd.
Er was veel gedraaf en drukte van pratende mensen, op de bureaus stonden electrische typmachines en er was zelfs een personal computer opgesteld. Al het meubilair was van kunststof en de kleuren waren wit en grijs en zwart.
Het bureau van Elders was zwart.
Onmiddellijk sprong  John op toen hij Jannes zag binnenkomen.
“Ah! Aangenaam kennis te maken! John Elders!”
'Jannes Lokaal.'
-- Faust gaf Mefisto een hand --
'Ga zitten, ga zitten! Ik ben blij dat je d’r bent! Ik hoop dat wij goed met elkaar overweg kunnen!'
Er trok even iets van een grijns over John’s gezicht.
'Jouw voorganger heeft het hier niet zo uitgehouden, zeg maar!'
'Onee?' reageerde Janus nieuwsgierig, 'wat is die dan gaan doen?'
'Die?'sneerde John, 'Overgeplaatst naar de rijksbok Ursus! Dat is pas distributie! Há!”
'Maar jij bent vast anders! Jij komt van het ministerie! Jij komt als geroepen! Kijk eens even hier, ik zal je wat tonen!'
John trok de pc naar zich toe en liet op het scherm grafieken verschijnen. Het waren mobiliteitsgrafiieken die aangaven hoe groot de doorzet van allerhande stoffen over de wegen was, distributiegrafieken die tonnen gedistribueerde goederen weergaven per vierkante kilometer. Alle lijnen stegen, maar liepen vast tegen een plafond.
'Zie je dit?!' riep John, 'Dit loopt vast!'
Hij wendde zich naar Jannes en keek hem van dichtbij strak aan.
'En weet je hoe dat komt?! '
'Nou?' zei Janus .
Maar John werd gestoord omdat op de gang een meisje op een knop drukte en een bel ging rinkelen.
'Koffie! Koffietijd, kom mee!'
Uit alle kamers kwamen medewerkers tevoorschijn die allemaal naar  enige automatische koffiezetapparaten liepen die aan het eind van de gang stonden. Druk, bedrijvig voorzag elk zich van een plastic bekertje met kokend hete bruine vloeistof en roerde erin met een plastic spaantje. Voor het geval  het apparaat geen melk doceerde stond er een pot met koffie-creamer. Het gonsde meteen van de stemmen. De stemming was opgewekt en vrolijk.
Hier gebeurde wat.
 
John wachtte niet tot de koffiepauze voorbij was.
'Jannes ,' zei hij, terwijl hij Jannes opzij trok, 'Jij hebt het al door! De regionale economie kan nog veel harder groeien als er meer wegen komen! Er moet een apart wegennet komen voor goederentransport! Er moeten lokaties komen voor distributiecentra en terminals. Schaf verdomme toch eens die maximum snelheden af. Laat personenvervoer alleen nog toe op zon- en feestdagen!  Die mensen pendelen alleen maar en distribueren niet! Die kunnen wel met het openbaar vervoer! De toegestane aslasten moeten worden verdubbeld zodat Amerikaanse carriers ook hier kunnen rijden! Laten we een regionaal Mobiliteitsfonds instellen! De bedrijven betalen mee! Ik stel dit voor in het Logistiek Beraad Oost!'
John nam een grote slok van de hete koffie.
' Bij klaverblad 9  in de Route 11 wordt een kantorenpark gebouwd! Er is in toren 5 nog 8000 m2 vrij! Daar moeten wij snel naar toe verhuizen! Verduiveld, in dit klooster  stikken wij!'
Helder’s uitleg dat stof moet spreiden kreeg voor Jannes ineens glans. God, dacht hij in twijfel gebracht, dit is pas leven. Is het conserveren wel goed. Maar hij hervond zich snel en glimlachte:
'John, al die wegen zouden eigenlijk onverslijtbaar moeten zijn, vind je niet? Dan zouden we al ons onderhoudsgeld aan een nieuw goederennet kunnen uitgeven. Dat zou pas goed zijn. Maar nu moet ik verder, Plusvier wacht op mij.'
Argwanend nagekeken door John liep Jannes de gang af.
Even later liet het meisje de bel weer gaan en juichend  ging ieder weer aan de slag.
Werkelijk, distributie is fun.

                                                                                                               -----------------

Na een nieuwe dwaaltocht door het klooster kwam Jannes op de afdeling Financieel-Economische zaken  terecht. Door de secretaresse werd hij netjes bij het hoofd aangediend.
'Pilo Plusvier.'
'Jannes Lokaal.'
Pilo was 55 jaar, zo kaal als een biljardbal, puddingachtig.
Zijn carriere was definitief ten einde gekomen op de kamer waar hij nu zat. Vanachter zijn eikehouten bureau had hij tussen twee blinde muren door uitzicht op het haantje van de toren.
“'Ga zitten .'zei Pilo die zelf ook weer achter zijn bureau terugzonk.
'Zo.'  zei Pilo na enig zwijgen, 'Hoe groot denk je dat jouw budget is?'
'Geen idee. Veel miljoenen denk ik.'
'Honderdnegentig miljoen inclusief investeringen. En dat van Elders?'
Pilo stak een cigaartje op. Hij had een wrat op zijn slaap.
'Geen idee, ook veel denk ik.'
'Mis, hij heeft maar twintig miljoen. Jij bent de grote besteder.'
Pilo keek  Janus met zijn grote bruine ogen onverschillig aan.
'Als zijn mobiliteit met tien procent stijgt, dan stijgt jouw budget met honderd procent. Jouw middelen zijn erger dan zijn kwaal.”
'Jazo.' zei Janus trouwhartig, ' alles slijt in het kwadraat zeker als hij met die Amerikaanse carriers komt.'
Pilo lachte schor.
' Een wetmatigheid die doet denken aan de Wet van Malthus, bij kwadratische bevolkingsgroei is de groei van de voedselproductie slechts lineair. Toepast op de wegen: de slijtage groeit kwadratisch als de distributie lineair toeneemt. De mobiliteitscatastrofe. Raar maar waar.
Hij kreeg een hoestbui waar hij bijna in bleef. In de vensterbank zat een duif weemoedig te koeren.
'O verdomme, ik ben zelf totaal versleten.'
                                                                                                       --------------------------                                                                                                                       
De middag besteedde ik aan een kennismaking met mijn eigen afdeling, met de hoofden van de bureau's Planvorming, Beheer en Onderhoud, Bestekken en het Ingenieursbureau.
Om vijf uur had ik genoeg van alle informatie die over mij was uitgestort en ging vermoeid naar huis.
Ik herinner me nog dat ik de trap afging en weer terug was in het portaal waar het vaandel van de dienst hing.
Het portaal was ineens helemaal niet mooi meer. Het was er stoffig en smerig en het vaandel, waar nu een zonnestraal op viel, was verschoten. De muurschilderingen waren dof en het verguldsel beslagen. Wat lelijk allemaal! 
De buitendeur bleef mij na alles echter imponeren: ik kon hem bijna niet open krijgen en achter mij sloeg hij met een harde bonk dicht.
Deze Deur was overtuigd conservatief, iedere spreiding van stof bestreed hij tot het uiterste. Een bondgenoot.
 
In de fietsenstalling begreep ik waarom ze mij naar deze dienst hadden overgeplaatst. Ik ging de afdeling van de Eerste Hoofdwet leiden, zonder welke de afdeling van de Tweede Hoofdwet niet kon werken. Men verwachtte veel van mij.