Villa Entropie 2

 

.                  E n t r o p i s c h   L e v e n

19 JAAR (vervolg)

Op een winterse dag met natte sneeuwbuien vermengd met de parfum van de gist- en spiritusfabriek huurde Jannes - inmiddels tweedejaars - een bakfiets en verhuisde zijn gegroeide inboedel naar de Boterbrug, hartje Delft. Aldaar boven Van Bokhovens' IJssalon kon hij een mooie kamer betrekken. Achterin de ijssalon - formica, vitrines en brommende ijsmachines - bevond zich een deur waarachter een houten trap die rechtstreeks naar de 16e eeuw voerde, want boven was sinds het huis in 1585 was gebouwd alles onveranderd gebleven. Rond een kleine overloop waren drie kamers, één aan de voorkant met prachtig uitzicht op het pleintje van de boterbrug waar nu lindebomen stonden te wachten om over een paar maanden prachtig groen te worden. Daar ging Jannes wonen!

Reeds dezelfde middag kwam Helder van de Koornmarkt aangewandeld om even nieuwsgierig te kijken. Hij raakte niet uitgepraat over zijn bewondering voor de zolder met de nog compleet aanwezige dakconstruktie van eiken balken en grenen planken met daarop originele oude-holle dakpannen. Ook probeerde hij meteen het schuifraam en betaste het behang dat nog echt op jute was geplakt. Fantastisch! riep hij, dit moet Johannes Vermeer nog hebben gezien. De entropie is hier boven niet veranderd! Bij dat laatste spitste Jannes de oren, wat zei Helder daar, daar moest hij meer van weten.

Er volgden heerlijke maanden voor Jannes. Eindelijk woonde hij zoals hij het wilde en niet zoals al die knorren die opgeslagen waren in stapelhuizen van de studentenhuisvesting ergens halverwege Rotterdam. Eindelijk durfde hij zijn moeder uit te nodigen om eens te komen kijken. Nu was Rie, die weer haar meisjesnaam Hiero droeg sinds het overlijden van haar man, niet iemand die gemakkelijk op reis ging, maar Jannes was haar jongste en daar ging ze. Met de streekbus, de intercity, de stoptrein, vier keer overstappen, kaartje tweede klas. Ook wel nieuwsgierig, toch. Op het perron wachtte Jannes haar op, wandelde met haar door mooi Delft naar de Boterbrug, hielp haar de trap op, haalde van beneden twee koffie en later twee Italiaanse sorbets. Ook at ze nog een boterham. Jannes demonstreerde zijn rekenschuif en de tekenmachine met onderstel voorzien van een blok beton als contragewicht, die hij derdehands had gekocht. Rie inspecteerde de machine, verschoof de tekenhaak een eindje, slaakte een zucht, streek zich over het haar en liet haar blik nog eens door de kamer gaan.
 
Ongemerkt was het alweer drie uur geworden, de middagzon scheen op het pleintje en door de opening van het opgeschoven raam kwam het gekoer van een duif verscholen in de linden en het gerinkel van het bestek waarmee de bezoekers van het terras hun Coupe-Paciugo oplepelden.
 
Nu zij waren bijgepraat zaten zij tegenover elkaar zonder woorden, lieten hun gedachten gaan en luisterden naar het stadsgedruis. Jannes nam zijn moeder peinzend op terwijl zij daar zo zat met de handen in de schoot.
'Moeder, luister eens, wat voelde je, toen je daar op de kade stond, voelde je een kracht?'
Zij verschikte even, kneep de lippen op elkaar.
'Iets dreef mij, ik werd geduwd.'
'Maar hoe wist je dan..'
'Nee Jannes, ik werd bewogen!'
Ze keek hem verbaasd aan met opgetrokken wenkbrauwen, zo van waar slaat dat nou op.
'Wees maar blij dat je hier nu zit!'
 
Hij woont daar ja niet slecht, zou ze 's avonds zeggen tegen haar oudste dochter die haar bij de bushalte afhaalde.