18 JAAR
Nadat hij eerst drie maanden had gelogeerd in een tent voor zeven personen op een grasveld in Pijnacker lukte het Jannes om een plek te vinden in Delft zèlf. Het werd een glazen kas in de tuin achter een groot oud huis aan de Vliet. In dat huis woonde een vrouw met een grijs knoetje die zich redde door haar te lage weduwepensioen aan te vullen met het houden van een viertal studenten. Wacht, dacht ze, toen ze hoorde van de kamernood onder de geboortegolf, in de kas kan er ook nog wel één! Dat werd Jannes.
Op een regenachtige namiddag arriveerde Jannes op de fiets met achterop een weekendtas met al zijn bezittingen. In de kas stond al een bed achter een gordijn, er was een slang met een kraan eraan waar water uit kwam en er stond een butagasfles met een kacheltje. Er waren ook een tafel en een stoel, ja aan alles was gedacht, want er stond zelfs een paraplu naast de kachel voor als het condenswater ging druppelen. Koken hoefde niet, hij at warm op de societeit.
Intussen was Jannes al een regelmatige bezoeker van het gebouw voor Weg- en Waterbouwkunde aan het Oostplantsoen. O, die eerste dag toen hij het bordes van dat gebouw beklom, wat voelde hij zich klein. Boven hem rees een baksteenkolos, bouwjaar 1923, een machtige klomp, de kazerne van het dijkleger. Hier was het commandocentrum, hier werden de waterwerken onderwezen, sluizen, bruggen, tunnels, zeeweringen, kademuren waartussen het vastgeklonken water. De wegenbouw was daaraan ondergeschikt, want zeg nu zelf: een weg is niet anders dan een dijk met wat klinkers erop. Van binnen bestond het gebouw uit betegelde gangen met deuren die toegang gaven tot kabinetten van hoogleraren, collegezalen, een zaal met monsters van bouwmaterialen, een tekenzaal, een practicumzaal grondmechanica en zo meer. Het sluiten van zo'n deur gaf een dreun die nog seconden nagalmde in de gangen rond het monumentale trapportaal. Niet meteen wat Jannes zocht, maar dat veranderde toen hij achter het gebouw een loods betrad waar het fysieke model van het waterloopkundig laboratorium zich bevond. Een inderhaast opgebouwd model van de Zeeuwse delta met echt stromend water erin, waarmee mogelijke afsluitingen werden onderzocht. Water!
Ook al volgde Helder colleges in een gebouw aan de andere kant van de stad, toch bleef Jannes Helder ontmoeten, zij werden vrienden. Jannes volgde naast zijn eigen colleges ook belangstellend de studie van Helder, nieuwsgierig bekeek hij diens studieboeken en leende er zo af en toe eentje. Overdag weg- en waterbouwkunde, 's avonds technische natuurkunde. Zo ontdekte hij dat in beide studies de mechanica, de krachtenleer, een hoofdrol speelt: in de natuurkunde de krachten tussen microscopische deeltjes, in de civiele techniek de krachten in macroscopische systemen van grote omvang. Jannes leerde tijdens het college Vloeistofmechanica dat in waterbeweging beide krachten tegelijk een rol spelen, incoherent en coherent.
Wat is kracht, dacht Jannes op een avond nadat hij met de methode van Cross de momenten in een betonskelet, belast met windkracht 11, had uitgerekend en hij moest denken aan de kracht die tante Jildou over de stoelleuning tilde, de kracht die zijn moeder naar de kade trok, de kracht van de veer in de lokomotief. Wat in godsnaam is kracht?
